‘Ik wet nog goed…’ Betuweroute

De Betuwelijn dwars door Groessen
Het was eind jaren ‘90, en ik weet het nog goed; Je had een boodschap bij de slager nodig, of misschien wilde je naar de bieb. Of, als je geluk had, was het kermis en wilde je even het dorp in om te kijken of de bogen er al stonden. En was het weekend dan ging je op vrijdagavond even naar het café, of zondagmiddag naar “dancing” de Waay.
We stapten op onze fietsen en vanaf ons huis aan de Leuvensestraat gingen we rechtsaf de straat uit, langs het oude Pepeloentje (ja, met het kabouterbos en de diertjes), via Lentjes en “de nieuwbouw” (Diesakkers bedoel ik, want Diesveld bestond toen nog niet). En dan, als je een beetje doortrapte, stond je ineens in het dorp. In een handomdraai, wat was het, een kilometer of twee? En voila, de kerk stond voor je neus, en je was in het dorp.

Maar toen kwam de Betuwelijn. Dat wisten we wel, maar het was alsof het altijd iets in de toekomst was, een vage belofte. Tot het ineens realiteit werd. Begin jaren 2000 doken die grote machines de weilanden en bouwgronden in, en hup: de route kwam dwars door het buitengebied van Groessen. Er was geen ontkomen aan.
Om ons niet volledig van het dorp af te sluiten (ze hadden wel een beetje medelijden met ons, blijkbaar) werden er twee viaducten gebouwd. Eén bij de Aa en de ander bij de Schraleweidsestraat. Vriendelijk gebaar, zou je zeggen, maar voor ons was het één grote omweg. Natuurlijk, via de Aa was het ongeveer dezelfde afstand, maar je had altijd het gevoel dat je de verkeerde kant op ging. En het was niet alleen de omweg, hoor. Ik weet nog goed dat we op een dag voor het eerst die viaducten konden gebruiken, en het was alsof er een nieuwe berg was ontstaan. Tegen die tijd waren er inmiddels drie kinderen bijgekomen, en moest ik met de gewone fiets helemaal “de bult op” naar school. Ik kan je zeggen: ik heb behoorlijk lopen schelden op die k*#*bult.


Kijk je eens goed op een oude kaart, dan zie je dat de Leuvensestraat dus gewoon doorliep naar het dorp. Maar om de verwarring te voorkomen, werd het stuk straat aan de andere kant van het spoor omgedoopt tot Kerkakkers. Ja, dat was wel even wennen. Vooral voor de bewoners, die zich ineens afvroegen waarom ze niet gemerkt hadden dat ze waren verhuisd.
Maar weet je, twintig jaar later merk ik dat we eraan gewend zijn geraakt. Het dorp voelt niet meer zo ver weg, en zelfs het idee dat wij een soort “buitenbeentjes” waren, is lang verdwenen. Nu wandelen mensen vrolijk langs de Betuwelijn, en als je je even omdraait en op een van de viaducten staat, heb je een uitzicht waar je u tegen zegt. De zonsondergang is er soms zo mooi, dat het bijna lijkt alsof je in een film zit.

Chandon Sanders